Travelwire






Dag 36: Van South Georgia naar Tristan VI

Donderdag 13 april

Zusje is jarig als ik om 0.00 uur in het dekhuis zit. Al een poosje is ze dat, want in Nederland is het een paar uur later dan bij ons. Om 1.30 uur gaat er bij ons echter weer een uurtje bij, wat onze achterstand volgens mij op drie uur brengt. Bovendien scheelt dat mij een uur van de wacht.
Om 4.00 uur mag ik weer naar bed en de volgende morgen slaap ik lekker uit. Dat kost mij wel mijn ontbijt. Als ik aan dek kom, meldt Mark mij een volgende Geelsnavelalbatros. Later op de dag zien we er nog enkele malen eentje (dezelfde?). Een leuk ochtendje vogelen volgt.

’s Middag slaat het weer om. Ik probeer het nog wel even, maar ’t wordt niks meer.
’s Avonds heb ik wacht tot 24.00 uur, ik pak de eerste beurt (20.00 uur), waarna ik de Goede-Vrijdagpreek alvast beluister. Morgen hopen we namelijk bij Tristan te zijn en ik weet niet of ik dan wel in de gelegenheid zal zijn om een preek te beluisteren. Ds. Polinder preekt over Hebreeën 9:27 en 28: “En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zonden weg te nemen, zal ten andere male zonder zonde gezien worden van degenen die Hem verwachten tot zaligheid.” Eénmaal: 1. De mensen sterven eenmaal vanwege de zonden; 2. Christus is eenmaal gestorven om de zonden; 3. Christus zal eenmaal gezien worden zonder zonden.
Een vergelijking tussen het sterven van de mensen en het sterven van Christus. De mens is geschapen om te leven – maar na de zondeval heeft God als oordeel de dood op aarde gebracht. De dood hoort dus niet, zoals weleens gezegd wordt, bij het leven; maar is het loon op de zonde. Het sterven is definitief – “en daarna het oordeel”. Het oordeel zal bij de wederkomst van Christus publiek gemaakt worden, bevestigd worden. Geloven wij dit, ook voor onszelf? Het gaat immers altijd over anderen. Maar het geldt ook ons! Laat de bekering toch niet uitgesteld worden; het kan elk moment te laat zijn. Maar God laat nog waarschuwen. Hij heeft geen lust in onze dood, maar wil dat wij ons bekeren; dat wij leren Hem te zoeken, onze knieën voor Hem te buigen. Door het offer van Christus is er vergeving van alle zonden voor iedereen die gelooft.
Zoals ons sterven eenmalig en definitief is, zo was ook het sterven van Christus eenmalig en definitief. Dat offer was volmaakt en hoorde nooit meer herhaald te worden. “Om de zonden van velen weg te nemen” – er staat niet: van de uitverkorenen. Hoewel dat uiteindelijk natuurlijk wel zo is. Maar het geeft aan hoeveel ruimte er is: veler zonden! Hebt u dit offer nodig gekregen? Daar komt het op aan! Is onze zonde en schuld onze nood? Zien we dat we voor God niet kunnen bestaan en dat zelfs onze beste werken onvolkomen en verwerpelijk zijn? Dan hebben we immers geen rust meer, voor wij onze Zaligmaker gevonden hebben.
Christus komt eenmaal terug. Zonder zonden zal Hij gezien worden. De Hogepriester, die terugkomt nadat Hij het hemelse heiligdom is binnengegaan. De aardse hogepriester kwam uit het heiligdom terug om het volk Israël te zegenen. Zo komt ook Christus terug om hèn te zegenen, die Hem verwachten tot zaligheid. Hùn zonden zijn door Hem weggedragen. Zij zullen de hemel erven, waar zij nooit meer last zullen hebben van de duivel en van hun zonden. Verwachten wij Hem ook? Wat geven ons de zonden, die we blijven bedrijven, dan een verdriet! En juist daardoor verlangen wij des te meer naar de hemel. Hoe zal God ons vinden, als ons leven eindigt of als Hij terugkomt? Het is nog genadetijd…
Tijdens de preek komt Jenny langs. Ze wil graag weten wat ik doe. Ik leg haar uit dat het morgen Goede Vrijdag is, maar dat ik bang ben dat ik dan niet in staat zal zijn om een preek te beluisteren, omdat we tegen die tijd bij Tristan zullen zijn. Even later is ze weer terug. Of ik morgen of zondag niet wil preken voor de mensen op de Europa. Een bijzonder ontroerende vraag. Maar hoe zou ik dat kunnen, in het Engels nog wel? Terwijl er al zoveel onjuiste gedachten rond het christelijk geloof rondspoken door onze samenleving. Ik ben bang dat het slechts uitloopt op ruzie en narigheid. Ik vertel Jenny dat ik geen predikant ben, maar dat ik natuurlijk wel wil praten en vertellen over mijn geloof. Ik doe dat als mensen met vragen komen. Ze belooft me dat ze nu alvast zal nadenken over wat zij mij vragen wil. Het voelt aan als een gemiste kans, is dat misschien ook wel, maar ik denk dat het toch beter is om mij op deze wijze op te stellen.
Na de dienst is mijn wacht bijna afgelopen. Ik schrijf nog, onder het genot van een Jägertje, een laatste brief, om daarna te kooi te gaan.