Travelwire





Dit is de manier waarop Cubanen op reis gaan.


Dag 13: Viñales - Guanahacabibes

22 juli

We staan rond 8.00 uur met een kopje Cubaanse koffie in de hand, door de Bulgaarse gastvrouw ons in de hand gestopt. Ze heeft zeker niet gemerkt dat Cora en Antoinette gisterenavond hun tanden stonden te poetsen op het graf dat hier in de tuin ligt. Maar het is dan ook niet zo herkenbaar als graf, dat moet gezegd. Zou het van één van haar voorouders zijn? Lijkt mij niet, deze mensen zijn vijftien jaar geleden uit Bulgarije gekomen.
We hebben intussen de tenten al afgebroken en nemen na het ontbijt (met mango) afscheid van deze hartelijke mensen, die ons bovendien ook nog uitnodigen om op de terugweg weer langs te komen. Maar aangezien we een andere route gepland hebben, zal dat wel niet gebeuren.
We rijden naar Guanahacabibes, het Nationaal Park aan de noordwestelijke punt van Cuba. Het is nogal een uithoek, zodat we lang van tevoren al aan brood moeten zien te komen. Een medewerker van de broodfabriek wordt door Carlos op fabelachtige wijze tussen al die mensen herkend en we kopen hem tot zijn grote blijdschap in ene keer los. Want ook de komende dagen willen we brood hebben.

We komen op een lange rechte weg met bos aan beide zijden. Onderweg zien we veel krabben de weg oversteken. Er zijn grijze en rode krabben. De grijze krabben zijn niet giftig, de rode bij consumptie door mensen wel. Maar de gieren doen er zich heerlijk te goed aan, zonder zichtbaar schadelijke gevolgen. Of het moest zijn, dat ze nu net als hun prooi gemakkelijk door auto's overreden worden. Een slang heeft het ook al niet overleefd en ligt dood op de weg. Zo te zien zijn er twee eieren in de maak geweest, die liggen naast het kadaver. Giftig kan hij niet zijn, want op Cuba komen geen gifslangen voor.

We rijden naar Maria la Gorda, waar we in het restaurant willen gaan eten en een kampeerplek willen zoeken. Helaas worden we tegengehouden bij een slagboom: toegang na betaling van CP 5,00 per persoon. Ook als we alleen naar het restaurant gaan. Nou ja, dan gaat het niet door, hè. Terug naar Guanahacabibes.
Bij het dorpje is helemaal niets voor ons te vinden, geen restaurant, geen zwemplek en geen plaats om te overnachten. We besluiten om nu al naar Cabo San Antonio te gaan, in plaats van maandag. Daar is echter weer een gids voor nodig, zo blijkt bij een wachthokje met twee jonge soldaatjes daarin; CP 10,00 per persoon. We keren om en gaan naar het toegangskantoor. Daar leggen we een heel jaarsalaris van Carlos op tafel en krijgen de gids mee. Hij brengt ons allereerst langs het wachthokje met touw, dat zojuist ons nog de toegang versperde, en vervolgens toont hij ons een waterpoel in het koraalveld tussen de weg en de zee. Het staat door een ondergrondse tunnel in verbinding met de oceaan en er zwemmen prachtige vissen in, klein en groot. Een natuurlijk tropisch zee-aquarium van zo'n vijf meter diep!
De gids vertelt ons ook van de orkaan, die in 2004 dit gebied verwoest heeft. Bomen zijn weggespoeld, koraal is afgebroken en ver landinwaarts geworpen. Het zal nog wel zo n vijftig jaar duren voor de natuur zich hier hersteld heeft. We zien de resten van een wrak van een Braziliaans schip, dat hier voor de kust zonk in 1994 en dat door het stormgeweld van 2004 op het strand geworpen werd.

Een eind verderop stappen we weer uit de bus, we lopen een stukje tot achter een plas en turen in de boomtoppen: hier zit de kleinste vogel ter wereld, de Bijkolibrie. Toepasselijke naam. Het diertje is 5½ centimeter groot, waarbij de snavel meegemeten is! Deze vogelsoort leeft alleen op Cuba. Ineens zie ik ze hoog overvliegen. "Wacht maar, ze komen wel terug", zegt de gids. We moeten geduld hebben, maar hij krijgt gelijk. Ik kan er een paar redelijke plaatjes van schieten, had ze graag nog wat beter gehad, maar dat kost tijd. We hebben al te lang gewacht en moeten verder.

Nu rijden we door tot we een leguaan tegenkomen, die tot grote frustratie van het vrouwvolk achterin de bus, dat niets ziet, snel wegglipt. Ook bij latere ontmoetingen gebeurt dat telkens weer. Van de agoeti's zien we weinig meer dan een schaduw onder de struiken. We krijgen flinke honger, we rijden snel door naar het restaurant. Zeer prijzig, dus geen cola of iets dergelijks. Ik wil graag een flesje meenemen, om Cuba Libre te kunnen maken, maar niet tegen elke prijs. Een fles kost hier CP 6,00! Dan niet. Er komt wel wat frisdrank uit de bus en de maaltijd bestaat uit rijst, kip en komkommer.

Jan hangt een Hollandse vlag terug, na er iets opgeschreven te hebben.

De terugtocht levert een hert, veel leguanen en agoeti's op. We kunnen ook nog even een kijkje nemen bij Playa el Holandes, waar Piet Hein de zilvervloot veroverde. Het is echter te laat om een zeeschildpaddenkamp te bezoeken. Er zitten hier nogal wat studenten in kampementjes om het leven van de zeeschildpad te onderzoeken en de eieren te beschermen. Langs de kant van de weg kronkelt een slang, zo'n zelfde beest als we vanmorgen dood zagen liggen.
De tenten zetten we op naast het gidsenkantoor. Ik eet nog twee 'Bolletjes' op, want we hebben vandaag een maaltijd overgeslagen. Er is nog wel brood, maar dat is inmiddels al schuurpapier geworden en het zou toch jammer zijn als we morgen tekort zouden hebben.