Travelwire






Dag 14: Kashan (Abyaneh) - Teheran

Donderdag 14 juli

De klachten zijn deze morgen zodanig, dat Jan besluit een ander hotel te betrekken. Terwijl hij dit regelt, hokken wij samen voor het hotel waar we deze zweetnacht hebben doorgebracht. Het levert aardige straattafereeltjes op. De wijzen van Kashan, mannen op leeftijd, hebben hun plekje in schaduw van de bomen aan het pleintje met de fontein weer opgezocht. Zo te zien een dagelijkse bezigheid. Daar zitten ze de wereld te verbeteren, midden op datgene wat in feite niet meer is dan een wat groot uitgevallen rotonde. Het verkeer zwiert er omheen, je slaat af en toe je hand voor de ogen om het afschuwelijke ongeluk niet te zien, dat nu toch echt wel gebeuren moet. Maar als je je hand weer weghaalt, blijkt er op miraculeuze wijze weer net niets gebeurd te zijn. Een jongen met een mooie mountainbike komt langs, schept wat water uit de fonteinvijver, veegt het over het nu al danig verhitte voorhoofd. Wij koesteren onze waterflessen.

Dan komt Jan terug met de mededeling dat we onze bagage een klein stukje verderop in een hotel met airco kunnen brengen. Inderdaad voelt het klimaat hier een stuk beter aan. Wat kan twee weken hitte je verschrikkelijk afmatten!
Vandaag gaan we naar een klein dorpje, op zo’n 80 kilometer afstand van Kashan. Abyaneh is een traditioneel bergdorp, het ligt op 2500 meter hoogte. Daar is het dus wat koeler dan in Kashan. Kan geen kwaad. De rit er heen voert ons voor een groot deel over dezelfde weg, die we gisteren volgden om in Kashan te komen. Het laatste stuk is een kleiner weggetje, dat echter nog steeds prima te berijden is. De weg voert langs een rivieroase in een dal. Groene bomen! Weinig vogels laten zich zien, toch denk ik dat ze er wel zullen zitten.

Het dorpje is toeristen gewend, maar we zijn wel de enige toeristen, zo te zien. Er wordt eerst eens wat frisdrank gekocht en we slachten een meloen. Daarna lopen we door het stadje. Lemen huizen, de hoofdpaden netjes beklinkerd en met een waterafvoer in het midden; maar o wee als je buiten die hoofdpaden komt, dan wordt het hotsebotsen en stofhappen. Aan de fraai bewerkte deuren hangen twee kloppers: de ene voor de mannen, de andere voor de vrouwen. Dan weten ze binnen tenminste wie naar de deur moet om zich aankondigend bezoek te ontvangen.

Een deurklopper voor vrouwen en een deurklopper voor mannen!

Een rimpelig mannetje laat zich op de rug van zijn ezeltje voortrijden. Twee grote buidels versgesneden groen aan beide zijden van het beest laten zien dat hij voor z’n eigen gerief deze last moet dragen. Naast de wat meer traditionele klederdrachten zien we af en toe ook ‘nette’ Iraniërs. Zij dragen Westerse kantoorkleding en zijn mogelijk uit Teheran overgekomen om hun vakantie in hun geboortedorp door te brengen. Tenminste, dat is de invulling die ik er aan geef, een veronderstelling die gevoed wordt door een Teheraanse jongen die perfect Engels spreekt en die ook op familiebezoek blijkt te zijn.

Oude schrompelgezichten en gave rimpelloze kinderhuidjes bevolken Abyaneh. Daar zit weinig tussenin. Bij één van de huizen worden we met open armen ontvangen. Ha, toeristen! Dat betekent handel. Er blijkt een dwergvrouwtje te wonen, met haar dochter. Ze lacht kraaiend, haar slimme oogjes taxeren de dames van ons gezelschap: zou ze niet het een en ander aan de man (of in dit geval vrouw) kunnen brengen? Haar dochter, inmiddels ook op z’n minst tot de ‘middelbaren van leeftijd’ te rekenen, brengt allerlei knoop-, borduur- en ander werk naar buiten en het gepingel kan beginnen. Niet tevergeefs, al had de opbrengst altijd beter kunnen zijn.
Achter één van de bovenramen verschijnt ineens een zeer Westerse dame in shirt (“JOOP! The best fahion for you”; een Duits merk). Het contrastreert hier volkomen, onder deze zo traditioneel geklede bevolking. Maar binnenshuis zijn de Iraanse vrouwen vrij te dragen wat ze zelf willen en dat is gewoonlijk dus van andere snit dan wat je op straat tegenkomt.
Midden in het dorp is een klein pleintje met een kraan, een stenen wasbak er onder. Hier wordt door verschillende vrouwen ijverig geschrobd, pakken Witte Reus, Sun-ill en Ariël staan binnen handbereik.

De moskee heeft een stevige wijnstok, met trossen groene druiven. En een schilderij van “die mooie jongen”. René tracteert hier de drie jochies die overal met ons meelopen op een Gamma-ballon, die ze met zichtbaar plezier opblazen.

We lopen de bovenwijk in, vanwaar we een mooi uitzicht hebben over de groene akkers in het dal. Hoewel, groen? Nou ja, aan de andere zijde van het dal rijzen de dorre hellingen weer omhoog. En in vergelijking daarmee is het wel groen.

Een dak – zoals in een Oosters land betaamt een plat dak – wordt gebruikt om vruchten op te drogen. Zo te zien zijn het opengebroken abrikozen. De schalen waar ze op liggen bestaan uit gevlochten twijgjes. Wat verderop zijn mannen in de weer met een geit, dat geslacht is. Ze doen hem nu net z’n jasje uit. Vliegen vieren feest.

Het loopt tegen de middag als we Abyaneh verlaten. Een heel aardig dorpje met aardige inwoners, waar we goede herinneringen aan zullen bewaren. De rit voert ons weer door de woestijn en intussen wordt de balans opgemaakt. Wat moeten we nog in Kashan doen? Nou, er is nog wel het één en ander. Maar dat is meer van hetzelfde en zal ons inmiddels niet meer in vervoering brengen. Morgen vertrekken we naar ‘Tehran’. Het is dan vrijdag. Wacht eens: vrijdag? Zou je dan wel gemakkelijk kunnen reizen in dit moslimland? Bij ons rijden er op zondag ook minder bussen. Het zal wel mogelijk zijn om van Kashan naar Teheran te reizen, maar waarschijnlijk zal er toch minder frequent gereden worden. Zou het niet goed zijn om nu alvast naar Teheran te gaan? We zijn vroeger terug dan we dachten en kunnen er best nog wel een ritje aan vastknopen.
Dat betekent echter wel, dat we onze bagage uit het hotel moeten halen. Een hotel waar we niet overnacht hebben en wel hebben geboekt. Nog niet betaald. Maar we moesten er wel onze paspoorten achterlaten, zoals te doen gebruikelijk in heel veel landen. Ai! Ali-achter-de-balie is duidelijk niet blij met ons plan, als we hem na het ophalen van onze bagage uit de hotelkamers vertellen dat we hem nu al gaan verlaten. Of we onze paspoorten even krijgen. Nee dus. Jan krijgt de volle rekening voorgeschoteld. Ja… dat had-ie gedroomd. Hij mag best wel wat hebben, maar we hebben niet overnacht, wel het toilet gebruikt en onze tassen hebben hier alleen maar gestaan. Dus moet er een redelijk bedrag tegenover staan. Maar nee, het is na twaalven, dus betalen. Niks daarvan, meent Jan. De baas wordt gebeld, maar die is ineens onbereikbaar. Logisch, volgens Ali Balie: het is nu tijd voor de siësta, als we een poosje wachten is-ie wel weer wakker. Hij weet best dat we naar Teheran willen en dan op tijd de bus moeten nemen. Jan pruttelt, hij pruttelt terug. Intussen hang ik een beetje over de balie – en wat zie ik daar een eindje onder me: een paar purperrode paspoortruggetjes! Dat komt goed uit.

Terwijl Jan en de receptionist naar de telefoon kijken, omdat de baas nogmaals gebeld wordt, grijp ik onze paspoorten tevoorschijn. De receptionist krijgt van zijn baas waarschijnlijk juist op dat moment strikte orders om vooral de paspoorten niet af te geven voordat er betaald is. Hoewel het bedrag inmiddels niet meer de volledige overnachtingskosten moet dekken, is het nog steeds torenhoog. Ik begin de paspoorten uit te delen aan m’n reisgenoten. Nadat ik een stuk of drie eigenaren gelukkig gemaakt heb, ziet Ali Balie het ook. Hij ontploft van woede en dreigt de politie er bij te roepen: dit is diefstal! Ik vertel hem dat het onze eigen paspoorten zijn en dat er dus van diefstal geen sprake kan zijn. Ik ga intussen gewoon door. “Geef ze onmiddellijk terug, of ik bel nu de politie!” Onze chauffeur staat er inmiddels ook bij, de receptionist wil geen gezichtsverlies lijden, dat snap ik ook wel. Bovendien vind ik het in het geheel niet aantrekkelijk om door de Iraanse politie aan de tand gevoeld te worden over deze kwestie. Volgens Jan kan ik gewoon doorgaan met uitdelen. Ik durf het toch niet aan, maar de paspoorten teruggeven is er in geen geval bij. Dus ik houd ze bij me en ga naast Jan aan de balie staan. De eer van de man is enigszins gered. Jan hervat de onderhandelingen en zie daar, de prijs is een heel eind gezakt! Hoewel het nog steeds heel wat is, zal er nu toch een knoop moeten worden doorgehakt: de bus moet gehaald worden en zo enorm veel is het nou ook weer niet. Jan besluit te betalen, ik meen me te herinneren dat het een tientje per persoon was. Het bizarre slot: als hij betaald heeft, schenkt de receptionist de helft van het bedrag weer aan hem terug! En ja: nu is het dat redelijke bedrag, dat we van meet af aan wel hadden willen betalen, maar waar we zo vreselijk over moesten onderhandelen…

Enfin, we halen de bus. Onze chauffeur ziet ook goud en wil meer hebben dan we hadden afgesproken. Jan bepaalt zelf hoeveel fooi hij wil geven en dat krijgt hij; niet goed, geld terug. De man ziet in dat z’n zaak verloren is en z’n fooi reëel. De lijnbus zet zich in beweging en zo verlaten we Kashan.

Tijdens de 3½ uur durende rit naar Teheran passeren we regelmatig controleposten van de politie. Gewoonlijk staat de klapdeur open om voor wat frisse lucht te zorgen, voor zover er van frisse lucht sprake kan zijn op een Iraanse snelweg. Ruim voor de controleposten gaat die ineens dicht. De chauffeur rijdt dan heel rustig en trekt zijn gordel voor de show over z’n schouder, om zodra het kan weer stevig door te gassen en de gordel terug te laten schieten. De deur klapt ook weer open. Een staaltje van internationaal chauffeursgedrag…

We rijden een stuk langs een zoutwoestijn, die wit schittert onder de sterke zon. Gelukkig heeft de bus getint glas. Na het nieuwe vliegveld van Teheran wordt het behoorlijk druk op de weg. Je kunt merken dat het een miljoenenstad is, met een bevolkingsaantal dat dat van heel Nederland benadert. Het is avond als we de bus verlaten. We zoeken tevreden een hotel op: morgen nog een dagje in de stad, dat moet een mooie afsluiting worden.